Gedurende zes jaar was Nicolien Verkleij voorzitter van twee Regionale Tuchtcolleges. In 2024 eindigde haar termijn. Terugkijkend stelt ze dat het tuchtrecht in die periode meer uniform en menselijker is geworden. Nog steeds kan het beter. Daar ligt een taak voor de tuchtcolleges én de beroepsgroepen.

Portret Nicolien Verkleij
Nicolien Verkleij, voormalig voorzitter Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam

Voor Nicolien Verkleij, tussen 2018 en 2024 voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG), was het een persoonlijke missie om het tuchtrecht op diverse fronten te verbeteren. Ze droeg met veel plezier bij aan verschillende projecten, aanvankelijk in Den Haag en na de herindeling in Amsterdam.

Om te beginnen is verder geïnvesteerd in de vakspecifieke expertise in ieder college. Toen ik aantrad, kon het bijvoorbeeld gebeuren dat, bij een klacht tegen drie verschillende specialisten, tijdens de drie zittingen telkens dezelfde leden-beroepsgenoten aanwezig waren. Dat is nu niet meer zo. Per zitting zijn er drie leden-beroepsgenoten met zoveel mogelijk hetzelfde specialisme als de individuele beklaagde. Dat vergroot het draagvlak en het vertrouwen in de tuchtcolleges bij de partijen.”

Verder zette Verkleij zich de afgelopen jaren met haar collega’s in om de uniformiteit van het tuchtrecht te vergroten. “In 2022 is het aantal regionale tuchtcolleges verminderd van vijf naar drie”, licht ze toe. “Door meer samen te werken en processen beter te stroomlijnen, zijn onze procedures, brieven en uitspraken eenduidiger geworden. Dat is prettig voor de professionele rechtsbijstandsverleners die regelmatig met ons te maken hebben. Bovendien kunnen we elkaar nu beter vervangen, bijvoorbeeld wanneer een collega langdurig ziek is.”

Verkleij maakte zich ook sterk om het tuchtrecht toegankelijker te maken voor niet-juristen. “We beginnen uitspraken nu met de uitkomst en lichten die vervolgens toe. Ook gebruiken we ‘klare taal’: we hebben het jargon er grotendeels uitgehaald, zodat teksten voor zorgverleners, klagers en de buitenwereld meer empathisch en begrijpelijker zijn.”

Reflecteren op verschillende niveaus

De tuchtcolleges proberen ook op andere manierenhet draagvlak voor het tuchtrecht te behouden danwel te vergroten. Verkleij ziet daarbij een kans voor de communicatie richting partijen. Want om feiten boven tafel te krijgen, moeten de collegevoorzitter en leden-beroepsgenoten vaak dóórvragen en dat kan een partij ervaren als onprettig en aanvallend.

Verkleij: “Communicatie is een fundamenteel onderdeel van ons werk. Als voorzitter heb ik altijd erg gehamerd op een vriendelijke bejegening tijdens de zitting en het mondeling vooronderzoek. Het is van belang om op een open manier vragen te stellen, ook bij de inhoudelijk confronterende vragen. Dan krijg je veel meer informatie en daarmee ook betere beslissingen.”

“Zo helpt het om de antwoorden op vragen tijdens de zitting te reflecteren op verschillende niveaus”, vertelt Verkleij. “Professionals zijn gewend om inhoudelijk samen te vatten, maar partijen voelen zich meestal pas echt gehoord als zij ook gezien zijn in hun gevoelens en belangen. Als je laat zien dat je daar oog en oor voor hebt, is dat heel bevorderlijk voor de sfeer in de zaal én het vertrouwen in het college.”

Portret Nicolien Verkleij

Juridische terminologie

Dat zorgverleners, en vooral artsen, weerstand en angst voelen voor het tuchtrecht, komt volgens Verkleij vooral doordat het tuchtrecht en de gebruikte terminologie vaak onbekend terrein zijn. Wanneer een klacht gegrond wordt verklaard, kunnen de tuchtcolleges een maatregel opleggen. De twee lichtste zijn respectievelijk een waarschuwing en, iets zwaarder, een berisping.

“Een waarschuwing betekent bijvoorbeeld alleen: er is een fout gemaakt, maar een fout die iedere zorgverlener kan overkomen. Toch kan het bij een zorgverlener hard aankomen. Een waarschuwing wordt in uitspraken wel omschreven als een ‘zakelijke terechtwijzing’, maar dat roept óók emoties op.”

"Als tuchtcollege zouden we in zo’n geval, als het gaat om een zorgverlener die overwegend zorgvuldig heeft gehandeld, wellicht vaker kunnen zeggen: de klacht is wel gegrond, maar we leggen geen maatregel op. Die mogelijkheid is sinds 2019 wettelijk vastgelegd. Uiteraard moeten daarbij de belangen van de klagende partij altijd goed worden meegewogen.”

Leren van tuchtklachten

Al met al is het volgens Verkleij de taak van alle betrokkenen bij het tuchtrecht om zich in te spannen dat het vertrouwen in het tuchtrecht blijft. Maar ook om met elkaar te leren van tuchtklachten. “Zelf kunnen wij proberen mensen op hun gemak te stellen. Verder geven we graag voorlichting bij onderwijsinstellingen en vakverenigingen. Websites en brochures, zoals de onlangs gepubliceerde Gids Tuchtrecht in de zorg en de site Open over tuchtrecht dragen bij aan de werking en waardering van het tuchtrecht.”

Volgens Verkleij ligt een deel van deze lerende taak bij de beroepsgroepen. “Er zijn al goede ervaringen met het organiseren van peer support. Een zorgverlener die een klacht krijgt, kan dan voor morele steun terecht bij een collega die dat ook heeft meegemaakt.”

De cijfers over de klachten en de uitkomsten geven volgens Verkleij objectief gezien weinig reden voor zoveel angst. “Een goede analyse van de uitspraken is daarom belangrijk. Dan is het ook mogelijk om te leren van tuchtklachten, of een klacht nu gegrond is verklaard of juist ongegrond. Juist bij de ongegronde zaken zegt het tuchtcollege: dit is goed gedaan.”

Wens

Verschillende andere ideeën zijn al eerder geopperd door onderzoekers, maar niet zo een-twee-drie te realiseren. Zo zijn zittingen, voor de veiligheid van alle partijen en voor de logistiek, altijd in de rechtbank, maar daaraan kleven ook nadelen. Verkleij: “Het feit dat het college op een verhoging zit, maakt het allemaal extra indrukwekkend. Mijn persoonlijke wens zou zijn om in elke rechtbank een gelijkvloerse zittingszaal te hebben. Een gemiddelde zorgverlener komt – gelukkig maar – nooit in een rechtbank. Daar zouden we wat meer rekening mee kunnen houden.”